web analytics

Een tax shelter ter versterking van de Nederlandse concurrentiepositie

Reacties zijn gesloten

Onlangs nam regisseur Paul Verhoeven tijdens de uitreiking van de Gouden Kalveren de mogelijkheid om het ontbreken van een Nederlands tax shelter aan de kaak te stellen. Bij het uitblijven van een dergelijk economische investeringsklimaat zou men de filmprijs volgend jaar net zo goed in België kunnen uitreiken, aldus Verhoeven.

Het is zeker niet de eerste keer dat er vanuit de Nederlandse filmwereld gepleit wordt om de maatregel in ons land in werking te stellen. In juni van dit jaar stuurde Nederlandse postproductie- en facilitaire bedrijven een brandbrief naar staatssecretaris Zijlstra om een tax shelter voor de filmindustrie op te richten en het wegvloeien van productiegelden naar het buitenland tegen te gaan. Met de huidige bezuinigingskoers van subsidiegelden lijkt een economische stimuleringsklimaat urgenter dan ooit. Ondanks dat steeds vaker in de media te lezen is dat een tax shelter voordelen kent, wordt maar zelden beschreven hoe het systeem precies werkt en welke effecten het zou kunnen hebben voor de Nederlandse filmindustrie.

De Belgische tax shelter als aantrekkelijke risicovrije belegging
Door het Belgische model als voorbeeld te nemen kan dit misschien enigszins worden verhelderd. In België kan elk bedrijf dat vennootschapsbelasting betaalt investeren in de tax shelter, waarbij vervolgens het geïnvesteerde bedrag voor 150% fiscaal afgetrokken kan worden van de belastbare winst. Dit systeem kent een aantal voorwaarden:

1. De vrijstelling mag maximaal de helft van de winst voor belasting van de onderneming bedragen tot een maximum van 750.000 euro. Dit betekent het volgende: aangezien de aftrek 150% bedraagt, mag men maximaal 500.000 euro investeren (500.000 * 150% is immers 750.000 euro). Stel dat een vennootschap dus 150.000 winst maakt, dan kan men dus ten hoogste de helft (75.000 euro) aftrekken en dus 50.000 euro (150% regel) investeren.
2. De investering in een tax shelter kan tot maximaal 40% als lening geschieden, waarop over het algemeen een bankgarantie wordt gegeven. De overige 60% is risicodragend kapitaal, waarmee de investeerder tevens voor een deel eigenaar wordt van de filmrechten. De meeste investeerders kiezen uiteraard om de volle 40% als lening te verstrekken, aangezien dit geïnvesteerde bedrag vanwege de bankgarantie met redelijke zekerheid terugbetaald zal worden.

Om aan te tonen hoe interessant het voor een vennootschap kan zijn in een tax shelter systeem te investeren, maken we nogmaals gebruik van ons voorbeeld van 150.000 euro belastbare winst. De vennootschapsbelasting bedraagt in België 33,99%. Normaliter zou dan dus 51.000 euro moeten worden afgedragen. Investeert men echter 50.000 euro in een tax shelter, dan kan de helft van deze 150.000 euro (150% van 50.000 euro) worden afgetrokken, waardoor er een belastingvoordeel van 25.500 euro ontstaat. Tel daarbij op dat 40% (20.000 euro) als lening met zekerheid terugkomt, dan is het risico van de 50.000 euro bedragende investering nog slechts 4.500 euro. Daarbij krijgt de investeerder over de 20.000 euro aan lening ook nog eens rente. Stel dat de rente 5% bedraagt, dan ontvangt men 1000 euro aan interest. Hierover wordt ook weer vennootschapsbelasting betaald, waardoor de netto rente uitkomt op 660 euro. Het uiteindelijke investeringsrisico van de 50.000 euro is hiermee dus teruggebracht tot 3.840 euro.

Het terugverdienen van dit bedrag hangt samen met de wijze waarop de investeerder om wil gaan met zijn verkregen filmrechten. Hij kan ervoor kiezen om de eventuele winst uit de filmexploitatie te halen. Wordt de film een groot succes, dan kan dit een interessant bedrag worden. Echter, over deze winst is wel weer belasting verschuldigd. Het is gebruikelijker dat de filmproducent aan de investeerder een putoptie aanbiedt om het risico volledig af te dekken. Dit houdt in dat de investeerder na een bepaalde periode zijn aandeel in de exploitatierechten van de film kan verkopen voor een vooraf afgesproken bedrag. Het rendement op de investering in de tax shelter hangt dus samen met de uitoefenprijs van de putoptie. Gaan we weer uit van ons voorbeeld en bedraagt die prijs 3.840 euro, dan heeft de investeerder zijn geld terugverdiend en is hij break-even. Elke prijs daarboven levert dus een rendement op. Is er een prijs van 5.000 euro afgesproken, dan levert de investering een rendement van 12,3% op. Dergelijke afspraken over de uitoefenprijs van de putoptie maken het mogelijk dat aan investeerders een ‘gegarandeerd rendement’ kan worden beloofd.

Voordelen voor de Belgische filmindustrie
Zoals in dit voorbeeld naar voren komt, is het voor investeerders interessant om in de Belgische tax shelter te investeren. Sinds de invoering in 2004 werd er al 370 miljoen opgehaald om in producties te investeren. Vaak worden contacten tussen investeerder en productiehuis gelegd door een intermediair die geschikte filmprojecten uitkiest en vervolgens aanbiedt aan mogelijke investeerders. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de financiële risicobeperking van de investeerders. De investering wordt uiteindelijk in een raamwerkovereenkomst tussen investerende onderneming en productiehuis vastgelegd.

Om als productiehuis in aanmerking te komen voor een dergelijke overeenkomst moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Naast enkele specifieke, zijn dit de belangrijkste:

1. Het productiebedrijf moet in België gevestigd zijn
2. Het maximale bedrag dat geïnvesteerd wordt (zowel het gedeelte aan lening als “equity” investering waarbij filmrechten worden verkregen) mag niet meer bedragen dan 50% van het totale budget.
3. Het audiovisuele product moet erkent worden als een Europees werk.
4. Het productiebedrijf moet ten minste 150% van het vanuit de tax shelter geïnvesteerde gedeelte dat betrekking heeft op de verworven rechten (dus totale investering minus het gedeelte dat uit een lening bestaat) uitgeven in België binnen een tijdspannen van 18 maanden.

Nederlands geld vloeit weg naar het buitenland
Met name de laatste voorwaarde is interessant vanwege de beperking van het bestedingsgebied. In de CV-constructie, die tussen 1998 en 2005 in Nederland bestond, ontbrak deze voorwaarde en maakten buitenlandse producenten gretig gebruik van de regeling zonder ook maar één cent in Nederland uit te geven. De CV-regeling was in deze jaren een beleggingscategorie waarin beleggers zonder veel risico konden investeren. Filmwinsten waren voor een groot deel belastingvrij, het geïnvesteerde bedrag kon het eerste jaar volledig worden afgetrokken en participanten bespaarden daarnaast op de vermogensbelasting. Misbruik en spookprojecten leidde uiteindelijk tot het stopzetten van de regeling. Desondanks blijven Nederlandse producenten participatiemogelijkheden ontwerpen die mikken op fiscale voordelen voor investeerders, maar onmogelijk kunnen concurreren met de Belgische tax shelter.

Door het gunstigere investeringsklimaat trekken Nederlandse producenten geld aan van Belgische, door de tax shelter mogelijk gemaakte, filmfinanciers. Gezien de voorwaarde dat 150% van het in filmrechten geïnvesteerde deel in deze landen moet worden besteed, is dit enorm nadelig voor de Nederlandse werkgelegenheid in de filmindustrie. Zo is van Gooische Vrouwen, met 1,9 miljoen bezoekers de best bezochte Nederlandse speelfilm van vorig jaar, de volledige nabewerking in België gedaan. En zo zijn er nog vele voorbeelden op te noemen.

De Nederlandse film is erg populair en kent een groeiend marktaandeel. Vorig jaar was dit maar liefst 16% (4,4 miljoen bezoekers). Landen als Frankrijk en Denemarken kennen zelfs marktaandelen van 30% voor nationale producties. Een beter investeringsklimaat zou kunnen bijdragen aan verdere verhoging van de productie, maar zolang de tax shelter in Nederland ontbreekt is het onmogelijk om met omringende landen te concurreren. In de huidige situatie zien we een dubbel negatief effect: Het investeringsklimaat in Nederlandse films is simpelweg niet interessant genoeg voor commerciële bedrijven om in te investeren en Nederlandse producenten zoeken de voor handen zijnde buitenlandse financieringsbronnen waardoor de Nederlandse filmindustrie kleiner wordt.

Nederlands tax shelter voorlopig nog ver weg
Met de verdere daling van de subsidiegelden in het vooruitzicht zal de filmproductie nog verder dalen en postproductie- en facilitaire bedrijven zullen verdwijnen. Alleen een snelle introductie van economisch stimuleringsklimaat kan deze ontwikkeling kenteren en zorgen voor een meer gelijkwaardige concurrentiepositie van de Nederlandse producent in Europa. Toch lijkt op dit moment een Nederlands tax shelter nog ver weg. In november werd door D66 een motie ingediend om tot 1 juli 2013 te nemen om te kijken naar vergelijkbare regelingen in de landen om ons heen. Zelfs dit verkennen van de mogelijkheden werd al met bijna 80% keihard weggestemd. Juist op het moment dat er flink in cultuursubsidies wordt gesneden is het een kwalijke zaak dat de Nederlandse overheid niet meewerkt aan vervangende financieringsmogelijkheden zoals in onze buurlanden. Voor een regisseur die internationaal zoveel ervaring heeft als Paul Verhoeven moet het frustrerend zijn dat hij in Nederland nog altijd hetzelfde in zichzelf gekeerde systeem van overheidssubsidies vindt als toen hij in de jaren ’60 begon met filmen. Het enige verschil is dat de overheid letterlijk en figuurlijk steeds minder geeft om haar culturele producten, maar de mond vol heeft over cultureel ondernemerschap zonder daar zelf ook maar enig klimaat voor te willen creëren. Dit is in de woorden van Verhoeven inderdaad “heel erg jammer”.

2 gedachten over “Een tax shelter ter versterking van de Nederlandse concurrentiepositie

Reacties zijn gesloten.